Isabell Werth spreekt over succes als een gezamenlijke prestatie, ingespeelde routines in het dagelijkse wedstrijdleven, modern paardentransport en haar weg van jurist naar onderneemster in het zadel.
Je bent de meest succesvolle amazone in de geschiedenis van de Olympische Spelen, hebt talloze wereld- en Europese kampioenschappen gewonnen en geldt als een van de beste dressuurruiters aller tijden. Hoe belangrijk zijn het team en het harnachement achter de combinatie paard en ruiter voor dit succes?
Dat maakt deel uit van het geheel. Zonder een goed functionerend team dat net zo hard als wij vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week nadenkt over hoe het kan slagen – en niet om zes uur de mestvork laat vallen als dat nodig is – lukt het niet. Het is ontzettend belangrijk dat mensen meedenken, empathisch reageren, stemmingen aanvoelen en deze ook aan mij doorgeven. Dat is net zo belangrijk als de rest van de uitrusting eromheen – van het hoofdstel en de stang-en-trens tot aan het transport van A naar B met de vrachtwagen.
Over welke dingen hoef je je in zo’n goed op elkaar ingespeeld team geen zorgen meer te maken?
Als we naar een wedstrijd gaan en mijn groom Steffi is mee, dan loopt alles eromheen in principe volledig buiten mij om: het vertrek, de heenreis, het opstallen. Vragen als: "Welk paard moet waar staan, wat is het beste voor wie?" Ze is er honderd procent op ingesteld en werkt met uiterste zorgvuldigheid. Altijd paraat, of het nu 's ochtends, 's middags, 's avonds of 's nachts is. Dat is ongelooflijk belangrijk. Er is zoveel idealisme en passie voor nodig, dat kun je met geld niet betalen.
Als we denken aan de reis naar een belangrijk kampioenschap: draagt een succesvolle heenreis bij aan een goed wedstrijdresultaat?
Ja, en vooral dat je met je eigen team reist. Ik weet nog dat we heel vroeger via een soort verzameltransport werden ingeladen en naar de kampioenschappen of het trainingskamp werden gebracht. Dat is al lang verleden tijd. Tegenwoordig hebben de grooms hun eigen kleine oase in de vrachtwagen. En natuurlijk heel belangrijk: de paarden – dat ze staan zoals ze gewend zijn, dat ze hun eigen vrachtwagen hebben. We weten of ze liever vooruit, achteruit of zijwaarts reizen – dat alles er gewoon is, zonder dat het opnieuw samengesteld hoeft te worden.
Hebben jullie routines achter de schermen: een altijd ingepakte wedstrijdkist?
Laten we nu maar niet de zadelkamer in gaan om de chaos te bekijken (lacht). Maar natuurlijk hebben we onze basisuitrusting in de wedstrijdkist. Verder zijn het zadel, het hoofdstel of de stang-en-trens bij het betreffende paard altijd hetzelfde.
Dus niet "voor het nette" and "voor thuis"?
Nee. Er is geen speciale zondagse set en trainingskleding. Het harnachement is op elkaar ingespeeld en aangepast. Dat kun je niet zomaar naar wens wisselen.
Hoeveel weekenden per jaar ben je met de paarden onderweg?
Gevoelsmatig om het weekend. In totaal kun je wel zeggen dat ik tussen de twintig en vijfentwistig weekenden onderweg ben. Als ik een zondag thuis ben, is dat pure luxe. Dan rijd ik 's ochtends heel ontspannen een paar paarden, and de middag is dan heilig – omdat je dan echt even in alle rust tot jezelf kunt komen. Al komt er meestal toch nog wat kantoorwerk op je af.
Thuis in Lastrup was het altijd zo dat de ervaren paarden begonnen te briesen en te hinniken zodra de vrachtwagen voorreed of de trailer werd aangekoppeld. Is dat bij jullie ook zo?
Ja, de paarden reageren. Als bij eentje de wedstrijdkist voorbijrijdt en hij mag niet mee, dan ontstaat er onrust. Dat zit er bij de paarden gewoon in. Ze zijn prestatiegericht en verheugen zich op de wedstrijd. Natuurlijk zijn er critici die dat niet willen geloven. Maar het is echt zo. We hebben geselecteerde paarden – vooral degene die die ambitie en gedrevenheid hebben, zichzelf willen presenteren en graag willen werken. Dat is ontzettend leuk.
Heeft je groom voorkeuren voor de reis met de paarden?
Bij lange afstanden and nachtritten, wanneer er maar een of twee paarden meereizen, staan ze breeduit zoals in een box. Daar hebben we zeer goede ervaringen mee opgedaan: de paarden ontspannen zich dan heel goed. Sommige krijgen zachte muziek op, and er is hooi en water bij lange transporten. Al met al zijn de paarden inmiddels zo ervaren met reizen dat alles heel soepel verloopt.
Hoe ben je aan je eerste Böckmann-voertuig gekomen?
Toen de paardenvrachtwagens op de markt kwamen, was dat een echte mijlpaal. Zo ben ik aan mijn eerste Böckmann gekomen. En van het een kwam het ander.
Wanneer kies je voor de Performance, wanneer voor de Compact en wanneer voor de grote vrachtwagen?
Voor korte afstanden en kleine wedstrijden is de Compact perfect. De Performance is geweldig voor al het andere – met slaapgelegenheid, een kleine leefruimte en voldoende ruimte achterin. We reizen nooit krap, dus we kunnen er heel gemakkelijk twee paarden in kwijt.
In de dressuur zijn er uitmuntende combinaties van paard en ruiter, een ruiter met een toppaard. Je carrière omvat inmiddels meer dan drie decennia met veel uitzonderlijke paarden zoals Gigolo, Satchmo, Weihegold, Bella Rose. Dan kun je niet van geluk spreken; sommigen zouden zeggen dat het vakmanschap is. Wat kun jij beter dan anderen, wat onderscheidt jou? De intuïtie om op paarden te reageren? Een zekere mentale kracht? Het enthousiasme voor de emotie? Wat is de Isabell-Werth-factor?
Ik geloof dat het een combinatie van al deze factoren is. Allereerst is het datgene wat ik het liefste doe en het beste kan: met paarden bezig zijn, rijden en opleiden. Ik vind het gewoon ontzettend leuk, en daarom is het ook zo tijdloos. Anders dan misschien in andere sporten is het bij ons telkens weer nieuw. Een nieuw paard, een nieuwe uitdaging, een nieuwe visie, een andere kick. Ik denk dat een groot deel van mijn succes te danken is aan het feit dat ik bereid was en heb geleerd om me aan de paarden aan te passen, geen vast stramien toe te passen, maar me samen met de paarden te ontwikkelen. En als dingen niet zo makkelijk op te lossen waren, dan hield ik me daar heel intensief mee bezig en was ik nooit te trots om hulp van anderen te vragen, advies aan te nemen en te kijken hoe anderen het doen en wat anderen beter kunnen. Ik denk dat al deze factoren ertoe hebben bijgedragen dat ik hier vandaag nog steeds zit.
Onze transportoplossingen hebben zich samen met de sport en de fokkerij ontwikkeld: groter, comfortabeler, andere zadelkamers, meer veiligheid. Onze filosofie blijft echter: "Uit de praktijk voor de praktijk" – wat niet op onze eigen stal is getest, gaat ook niet in productie. Is jouw trainingsfilosofie ook geëvolueerd?
De fokkerij heeft een grandioze ontwikkeling doorgemaakt. We hebben tegenwoordig te maken met een heel ander potentieel en talent bij de paarden. De instelling is nog professioneler en prestatiegerichter geworden, omdat het voor de paarden in de breedte makkelijker is om aan de hoogste eisen te voldoen dan dertig of veertig jaar geleden. Natuurlijk waren er destijds ook uitzonderlijke paarden, alleen hebben we er nu veel meer. Wat we hebben geleerd, is telkens overgedragen op de volgende generatie paarden. Dat zet zich voort en dat is bij jullie met de voertuigen net zo: we rijden nog steeds op vier wielen – dat kun je niet opnieuw uitvinden. Maar de grootte, de tussenschotten, het chassis, de uitneembare voerbakken, de indeling van de zadelkamer of de leefruimte – jullie hebben tegenwoordig ook heel andere mogelijkheden, bijvoorbeeld om gewicht te besparen. Al deze factoren spelen bij jullie net zo'n rol als bij ons bij de vraag hoe we nog meer prestaties kunnen leveren en het de paarden nog makkelijker kunnen maken.
Om bij dat voorbeeld te blijven: als je nieuwe materialen hebt, vereisen die vaak ook nieuwe verwerkingsmethoden. Is het rijden door de kwalitatief betere paarden verfijnder geworden, zijn de eisen gestegen?
Ja, absoluut. Ten eerste zijn de algehele omstandigheden rondom het paard enorm verbeterd. De huisvestingsomstandigheden zijn extreem veel beter geworden. Dat is iets wat we helaas nog niet op grote schaal tussen de oren van het publiek krijgen. Er is nog steeds kritiek dat het nu slechter zou zijn dan dertig jaar geleden. Dat is absoluut niet het geval.
En dat geldt voor de hele breedte van de ruitersport, de huisvesting, de reflectie en de verzorging rondom het paard. We hebben tegenwoordig alle denkbare technische faciliteiten en medische mogelijkheden: de loopband, de aquatrainer, grote stapmolens, galoppeerbanen, heuveltrajecten... In mijn tijd bij dr. Schulten-Baumer was men nog bang om de paarden vanwege het blessurerisico in de wei of de paddock te zetten. Tegenwoordig staan de paarden allemaal urenlang buiten, bewegen ze veel en zijn daardoor veel minder kwetsbaar. Natuurlijk is er een blessurerisico, maar gemiddeld genomen levert het een veel grotere meerwaarde op. En los daarvan zijn de paarden gewoon veel evenwichtiger en meer met zichzelf in het reine dan vroeger het geval was. En logischerwijs hebben we tegenwoordig veel fijnere en lichtere paarden dan dertig jaar geleden. Dat zorgt automatisch voor een inwerking die minder fysieke kracht kost. Dat is allemaal verder ontwikkeld.
Zeventig jaar geleden werden de Böckmann Fahrzeugwerke opgericht; dit is ons jubileumjaar. We vieren ook de moed van de oprichters Anton en Brigitte Böckmann, die destijds de basis legden. Jij hebt destijds na je staatsexamen en je werk als advocate het bedrijf van je ouders geherstructureerd en ben je voor jezelf begonnen. Hoe heb je die tijd ervaren?
Ja, de vraag was natuurlijk: wat ga ik doen? Ik had mijn studie afgerond, werkte als advocate en was ook vast van plan om mijn beroep uit te oefenen en daar op de lange termijn mijn brood mee te verdienen. De ruitersport zou eigenlijk mijn hobby blijven. Maar toen kwam de vraag wat er met het ouderlijke bedrijf moest gebeuren. Mijn zus had geen ambitie om het over te nemen, en ik kon me niet voorstellen dat we het zouden wegdoen. De paarden namen steeds meer ruimte in beslag in mijn leven en in mijn hart. En dus was het op een gegeven moment duidelijk: ik waag de sprong. Ik geef mijn beroep, de advocatuur, op en maak van de ruitersport mijn werk. In het begin, wanneer je voor al die investeringen staat, lig je natuurlijk wel eens een nacht wakker en denk je: hopelijk heb ik me hier niet aan vertild, hopelijk is dit op de lange termijn ook echt succesvol. Want op de momenten dat je succesvol bent, denk je dat er niets kan gebeuren. Maar je moet ook nadenken over wat er gebeurt als je veertig of vijftig bent. Nu ben ik halverwege de vijftig en ik heb er geen spijt van. Ik beleef simpelweg enorm veel plezier aan wat ik doe, en ook aan het verder ontwikkelen van het bedrijf – met de hoop het uiteindelijk zo voor mijn zoon in te richten en te ontwikkelen dat hij er later ook plezier aan zal beleven.
Zien jullie jezelf als een familiebedrijf?
Ja, natuurlijk. In onze hoogtijdagen woonden er vier generaties op de boerderij. Mijn grootmoeder is 102 geworden – dat was een heel bijzonder gezelschap! Dat is inmiddels langzaam maar zeker minder geworden, maar desondanks ben ik een familiemens en denk ik in generaties. Ik hoop dat Frederik er later, ook al rijdt hij zelf niet, plezier in zal hebben om het over te nemen.
Hoe was dat destijds? Kwam je thuis en zei je: "Pap, ik heb een plan"?
Nee. Ik heb natuurlijk eerst vele jaren bij dr. Schulten-Baumer doorgebracht, die hier hemelsbreed duizend meter vandaan woonde. Daar kwam ik al toen ik zestien was. We hadden ons hier in de loop der jaren ontwikkeld van een klein gemengd bedrijf naar een paardenopfokbedrijf.
Die ontwikkeling liep parallel.
Precies. En toen ik eenmaal besloot het over te nemen, ben ik twee jaar naar de accommodatie van mevrouw Winter-Schulze en haar man gegaan. Parallel daaraan hebben we hier verbouwd. In de herfst van 2003 ben ik teruggekeerd. Sindsdien ben ik hier – en op elke hoek staat wel een paard. En zoals dat gaat: als je net klaar bent met bouwen, begin je weer met renoveren (lacht).
Met het oog op jouw ontwikkeling en de vele verschillende takken van sport – zie je jezelf nog als een ondernemende amazone of als een hippische onderneemster?
Ik ben amazone in hart en nieren. Dat is nog altijd de beste, belangrijkste en uiteindelijk ook de meest winstgevende plek (lacht) die ik kan innemen – nog altijd. Dat moet ook nog wel een tijdje zo blijven, los van mijn sportcarrière. Het team eromheen is ontzettend waardevol en belangrijk. Dat begint bij Mary op kantoor, die mijn linker- en rechterhand is, tot aan het team op het paard – met name het kernteam met Niklas und Lisa. En nu natuurlijk met het hengstenstation dat door Andreas Helgstrand wordt geëxploiteerd: hier geniet ik enorm van het uitzonderlijke potentieel en de kwaliteit van de paarden waarvan ik het management op me heb genomen.
Toch ben je ondernemend bezig – maar dan vanuit het zadel.
Je moet natuurlijk wel noodgedwongen op de hoogte blijven van alles. Maar als ik rijd, ligt mijn telefoon ver weg zodat ik me kan concentreren. Het is nog altijd mijn eigen bubbel, mijn therapietrap, de plek waar ik alles om me heen kan vergeten en zowel kan opladen als mijn emotionele pieken en dalen kan beleven. Maar juist door de hoeveelheid van deze fantastische paarden kun je, als het bij het ene paard even niet zo loopt als je in gedachten had, direct weer genieten van het volgende.
Bij ons was het vroeger heel normaal dat er achter elke boerderij een paard stond en dat je via de hobby in de ruitersport terechtkwam. Dan reed je eerst eventing, een beetje dressuur en deed je mee aan een springrubriek op de wedstrijd van de lokale rijvereniging – zo ging dat in mijn familie. Deze natuurlijke infrastructuur is er niet meer. Hoe kijk jij daartegenaan?
Dat is een heel kwalijke en zeer trieste ontwikkeling in onze sport. We zouden een groot deel van de huidige discussies niet hebben als we deze natuurlijke basis niet aan het verliezen waren. Het voorrecht om zo nuchter en dicht bij de natuur op te groeien, met die vanzelfsprekende relatie met het paard – waaruit veel echte paardenmensen zijn voortgekomen – sterft uit. Dat is geen verwijt aan degenen die dat niet hebben, integendeel. Het gaat om de toegang tot het paard, die veel kinderen tegenwoordig simpelweg niet meer krijgen. Kleine rijverenigingen en maneges worden steeds schaarser, kunnen soms niet aan de vraag voldoen of zijn verlieslatend. Dat is onze grote opgave: de toegang tot het paard zo natuurlijk mogelijk maken. Los van de discussie of ik nu recreatieruiter, springruiter, dressuurruiter – sportruiter – ben of alleen maar in het bos rijd.
Böckmann ondersteunt ponykaders en acties zoals "Paarden voor onze kinderen" of "100 schoolpaarden voor onze rijverenigingen". Ik merk dat de passie voor het levende wezen paard onverminderd groot is, nu net zozeer als vroeger. Alleen al hoe mijn driejarige dochter door de stal loopt en we vervolgens zes weken lang alleen nog maar over de pony praten... Waar zie jij de grootste kansen voor initiatieven om de toegang tot het paard te creëren?
Dat moeten de rijverenigingen en de kleine maneges zijn. We moeten zoveel mogelijk van deze kleine verenigingen ondersteunen. En natuurlijk moeten er ook eigen initiatieven zijn om anderen mee te trekken en te enthousiasmeren. Maar vroeger was het ook al zo dat de vereniging altijd draaide op een klein aantal mensen...
...Het sleutelwoord: vrijwilligerswerk...
Precies. Maar dat zijn wel de mensen die de anderen meetrekken. Vroeger, toen ik nog een ponykind was, had ik een fantastische instructeur die ongelooflijk veel plezier in de les bracht. Hij was ambitieus en stelde eisen, maar bracht ook heel veel spelplezier over. Toen was er nog geen ponysport in de zin van Europese kampioenschappen, maar deden we cowboy en indiaantje, behendigheidsspelletjes, ponyraces en slipjachten – we hadden enorm veel lol. En dat is denk ik belangrijk om te koesteren. Misschien bereiken we binnenkort het punt waarop we weer een beetje terugkeren naar die normaliteit en speelsheid – zonder dat daar een negatieve bijsmaak aan zit!
Bestaat er voor jou een pensioen zonder paardrijden – of andersom?
Ik hoop van niet. Ik hoop dat ik fit blijf en nog lang op het paard, naast het paard en met het paard bezig mag zijn, en kan genieten van wat ik doe. Natuurlijk heeft het leven nog veel meer te bieden en heb ik genoeg ideeën voor de tijd na de sport. Maar het paard zal altijd een heel cruciale rol blijven spelen.
Als je de genen van je grootmoeder hebt, maak ik me geen zorgen.
Dat zou mooi zijn. Een deel daarvan heb ik vast van haar meegekregen. En als ik die taaiheid mee mag nemen naar mijn oude dag, samen met haar fitheid en discipline die ze mij tot het allerlaatste moment heeft voorgeleefd – dan zou dat prachtig zijn.